Om af te vallen moet ervoor gezorgd worden, dat er netto meer energie verbruikt wordt, dan dat er binnengekregen wordt. De volgende vier soorten stoffen leveren energie: vetstoffen, koolhydraten, eiwit en alcohol. Deze energie wordt door het lichaam voor de volgende vier zaken gebruikt: voor warmteproductie, om te bewegen, voor weefselonderhoud en voor weefselopbouw.
De ene manier van afvallen kan door middel van het minder innemen van de vier energieleverende stoffen. De tweede manier is ervoor te zorgen dat het lichaam meer energie gebruikt. De laatste manier is de combinatie van de twee.